nl fr en

FC Bergman keert terug naar zijn roots als locatiegezelschap

"Aan de romantisering van die lijdende mens zijn we intussen voorbij."

Ze zijn verbazend jong om al ‘anciens’ genoemd te worden. En toch viert FC Bergman in 2023 zijn tienjarig bestaan als vaste Toneelhuismaker. De vier kunstenaars (Stef Aerts, Marie Vinck, Joé Agemans, Thomas Verstraeten) waren dan ook nog piepjong toen ze in 2011 gingen kloppen aan de deuren van de Bourlaschouwburg om daar te voorstelling 300 el x 50 el x 30 el te komen maken. Ze nodigden zichzelf uit, jawel. 

FC Bergman slaagde erin om de hele ploeg van de Bourlaschouwburg mee te krijgen in de verwezenlijking van deze onmogelijke voorstelling. De productie was een fijne aanleiding voor Toneelhuis en FC Bergman om over te gaan tot gesprekken over een meer structurele samenwerking. In januari 2013 komen de zes makers van FC Bergman officieel onder dak bij Toneelhuis. Na een aantal opzienbarende locatievoorstellingen vond het gezelschap (toen nog met collega’s Bart Hollanders en Matteo Simoni) het tijd om de schouwburg te bespelen - als locatie, wel te verstaan. Het resultaat was het indrukwekkende Van den Vos (2013), waarbij de parterre van de Bourla werd omgebouwd tot een zwembad. Een kleine tien jaar later maakt Bergman met The Sheep Song zijn eerste ‘gewone’ schouwburgvoorstelling, 

De rode draad door jullie werk was altijd de tragiek van de kleine worstelende mens, die zich moet meten met krachten die hem te boven gaan: het noodlot, de natuurelementen, grote economische systemen. Is er in de voorbije tien jaar iets verschoven in dat uitgangspunt?

Marie Vinck: “Ik denk het niet. We maken nog steeds voorstellingen over de mens die zijn plaats zoekt in een groter kader, maar ons denken daarover is verdiept. Het is matuurder geworden.”

Stef Aerts: “Er zat vroeger wel wat dweepzucht in ons. Aan de romantisering van die lijdende mens zijn we intussen voorbij. We lopen al wat langer op de wereld rond, en dat confronteert je toch met het feit dat lijden zelden romantisch is.”

Thomas Verstraeten: “Hoe je het ook draait of keert: zelf kinderen krijgen zet je met beide voeten op de grond. Je kan het je niet meer permitteren om fatalistisch te zijn, om niet naar de toekomst te willen kijken.”

Jullie zijn ouder geworden, maar ook de wereld is ingrijpend veranderd. In hoeverre spelen de maatschappelijke discours rond klimaat, gender, racisme, … mee in de voorstellingen die jullie maakten en zullen maken?

Aerts: “Wij zijn niet het soort kunstenaars dat daar op een activistische manier mee omgaat. Zelf voel ik een grote weerstand om op een directe, eenduidige manier in antwoorden te voorzien. Onze poëtica is er een van het intuïtieve, van het indirecte.”

Verstraeten: “Toch stootten we bij het maken van The Sheep Song op veel vragen die we ons vroeger nooit hadden gesteld. Er zitten in die voorstelling beelden die verwijzen naar George Floyd, maar niet op een eenduidige of pamflettaire manier. Ik hoop vooral dat we gevoelige, open mensen zijn, die die topics meenemen in ons werk, zonder dat het er expliciet moet over gaan.”

Jullie hebben naam gemaakt als het collectief van het grootste, wilde locatietheater. Hoe is die verhouding tot locatie geëvolueerd?

Joé Agemans: “Aanvankelijk was de locatie echt de omgeving waarin we speelden, en speelde de plek actief mee in de voorstelling, zoals in de Terminator Trilogie (in de Antwerpse haven, ec). Maar we zijn onze locaties steeds vaker naar binnen gaan trekken. Zoals met Het land Nod en JR - dat waren eigenlijk enorme decors die werden nagebouwd in een loods.”

Verstraeten: “We hebben de rol van scenografie ooit eens verwoord als ‘het te temmen beest’. Onze voorstellingen vertrekken vaak van een scènebeeld: de loopband van The Sheep Song, de toren van JR, … Grote installaties, waartegen wij ons moeten verhouden. Met The Sheep Song is er nu een cesuur gemaakt: we hebben voor het eerst de zaal benut zoals ze bedoeld is, in plaats van die zwarte doos te verbouwen.”

Aerts: “Ik zie nog een evolutie, Thomas. We zijn ons ook steeds meer gaan bezighouden met repertoire. JR was een ingrijpende tekstbewerking, Les pêcheurs de perles een repertoireopera, en we hebben de afgelopen seizoenen twee keer met ITA (Internationaal Theater Amsterdam, ec) samengewerkt. Het beeld van FC Bergman als locatieknutselaars en decorbouwers klopt al lang niet meer. We moeten eerlijk zijn: wij houden geen hamer meer vast, daar zouden ongelukken van komen.” (lacht) 

Na tien jaar bij Toneelhuis kiezen jullie voor een hernieuwde samenwerking. 

Aerts: “De schaal van ons werk vraagt natuurlijk om een apparaat van een zekere omvang. Er zijn in Vlaanderen maar weinig huizen die zo’n ondersteuning kunnen bieden, die zo’n geweldig decoratelier hebben bijvoorbeeld.”

Vinck: “Maar het gaat niet alleen over het praktische, of over het feit dat wij per se megalomane decors willen bouwen. Als dat onze ambities waren, waren we beter naar het buitenland verkast. We hebben vooral ook een vertrouwensband met dit huis, waarvan je pas beseft hoe belangrijk het is als je er eens niét werkt. Wij moeten ons voor Toneelhuis nooit verantwoorden rond inhoudelijke keuzes of samenwerkingen.”

Agemans: “Onderschat ook niet de rol van het publiek. Antwerpen is onze thuisbasis, met een trouw publiek van zowel oudere als jongere mensen. Een kritisch publiek, ook. Veel mensen volgen ons al ons hele parcours lang, en zijn niet bang zijn om ons naast de meetlat te leggen.” 

Met de nakende renovatie van de Bourla (in 2025) worden jullie ironisch genoeg teruggeworpen op jullie roots: net nu de zwarte doos veroverd is, dient een terugkeer naar het pure locatietheater zich aan.

Agemans: “Ja, en daar hebben we veel zin in. Van den Vos was indertijd een bewuste ode aan de Bourla. Sindsdien hebben we steeds de beweging van binnen naar buiten gemaakt, met afwisselend projecten op locatie en binnen in de schouwburg. De komende periode gaat dat niet anders zijn. Ons volgende project is een video-installatie in het Kasteel van Gaasbeek, waarbij de plek zelf een ingrijpende rol zal spelen.”

Vertel.

Verstraeten: “Gaasbeek is een bijzonder kasteel: het lijkt een vijftiende-eeuwse burcht, maar in werkelijkheid stamt het uit het eind van de negentiende eeuw. De laatste bewoonster was een merkwaardig figuur: ze woonde daar alleen, ging gekleed als middeleeuwse page en organiseerde zo feesten en fotoshoots.”

Aerts: “Zowel het gebouw als zijn bewoner zijn een anachronisme. Dat is een thema dat ons al langer fascineert: waarom trekken mensen zich terug, plaatsen ze zich buiten de tijd? In dit geval: in een geïdealiseerd verleden? Waarom zoeken ze daarin een identiteit?”

Verstraeten: “Veel nationalisme gaat daarop terug, toch? Vanuit een verlangen om grip te krijgen op het heden teruggrijpen naar een verleden waar het zogezegd veel beter was, ook al is dat dan een illusie. Via de leugen, via het theater op zoek gaan naar een grotere waarachtigheid: ik vind dat heel symptomatisch voor deze tijd. ”


interview door Evelyne Coussens

Ook interessante producties: